Nog één mens spreekt Latundê
Uitsterven
‘A system at which the mind boggles’
Je kunt je afvragen of het erg is. Zoals Midas Dekkers zich retorisch afvraagt: ‘Mist u de Dodo?’, zo zijn culturele gebruiken even vergankelijk als diersoorten, en vaak maalt niemand erom. Soms vinden we het zelfs een goede zaak als culturele gebruiken in onbruik zouden raken; denk aan rituelen als steniging of vrouwenbesnijdenis. Niet alles is per definitie goed. Maar kennis over deze gebruiken leert ons echter iets over waarden die in de culturen waar ze plaatsvinden belangrijk zijn. Kennis over talen leert ons iets over de veelheid aan manieren waarop mensen in staat zijn met elkaar te communiceren.
Behoud van taalkundige diversiteit mag zich verheugen in warme belangstelling van de Unesco. Onder taalwetenschappers zijn bedreigde talen een ‘hot topic’. Op de Nederlandse onderzoeksagenda staat het echter niet erg hoog. Het Bedreigde Talen-programma is erg bescheiden in opzet. Twee Leidse onderzoeksgroepen stellen woordenboeken en grammatica samen van bedreigde talen in Zuid-Ethiopië respectievelijk Ghana. Professor Leo Wetzels doet via het programma twee onderzoeken in Zuid-Amerika. Onlangs startte hij in Colombia een studie naar de Makú-Indianen, en vier jaar geleden begon een groep promovendi en postdocs onder zijn begeleiding met het in kaart brengen van verschillende bedreigde Nambikwara-talen, waarmee het thema ‘bedreigde talen’ een eigen geoormerkt budget heeft gekregen.
De Nambikwara zijn een Indianenvolk, dat leeft in het noord-westen van de Mato Grosso, een vrij onvruchtbare hooglandsavanne die wordt doorsneden door juist vruchtbare rivierdalen. Er leven nog ongeveer 1.180 Nambikwara. Taalkundig onderscheidt men drie groepen, waarvan de sprekers elkaar niet kunnen verstaan. De talen zijn wel verwant, zoals Spaans en Italiaans verwant zijn. Veel meer was er niet bekend over de talen. Missionaris Kingston omschreef de grammatica begin jaren zeventig als ‘A system at which the mind boggles’ en dat maakte weinig mensen enthousiast zich in de Nambikwara-talen te verdiepen. Voor Wetzels ligt dat anders. Nambikwaratalen zijn toontalen, waarbij de toonhoogte verschil in betekenis oplevert. Ze kennen een classificeerdersysteem, waarbij zelfstandige naamwoorden zijn onderveerdeeld in klassen, op grond van een saillante eigenschap van hun betekenis. In het Nambikwara bestaan geen telwoorden zoals wij die kennen uit het Nederlands. Numerieke concepten worden als werkwoorden weergegeven. Verschillende van de talen kennen wel zestien klinkers. Naast de “gewone” set die wij kennen onderscheiden ze ook nasale klanken en “kraakstemklanken”. Daarbij is er betekenisverschil in gewone, nasale, of kraakstemuitspraak. Wetzels werd nieuwsgierig naar het nut en de herkomst van de variatie.
‘Taal is het instrument’
Stamboom
De tijdmachine
Wat levert taalonderzoek op? Behalve inzicht in de veelheid aan manieren waarop mensen grammaticaal oplossingen bedenken om met elkaar te communiceren, is de taal van nu ook een tijdmachine. Wie voor professor Barabas wil doorgaan, moet alleen wel enkele basisprincipes kennen. Een van de basisprincipes is dat wanneer de klank van woorden verandert, dit komt omdat mensen een bepaalde combinatie van medeklinkers en klinkers anders gaan zeggen. Zo spreken rechtgeaarde Zaankanters de [ui] al jaren uit als [eu]. Deze verandering in klankstructuur is in het algemeen regelmatig. Als in een woord een [k] voor een [i] verandert in [s] (wat een vrij gewone verandering is, zoals van het Latijnse [ki] in faciat naar het Franse [s] in fasse), dan gebeurt dat met alle woorden waarin een [k] voor een [i] staat. Op grond van zijn kennis van mogelijke en onmogelijke klankverandering weet een taalkundige dat de taal met de [k] de oorspronkelijke situatie vertegenwoordigt, terwijl de taal met de [s] de vernieuwing heeft geintroduceerd. De prototaal heeft dus in een set woorden een [k] waarin de ene dochtertaal een [k] heeft, de ander een [s].
Bij de Nambikwaratalen zien we dat een aantal van deze talen behalve gewone ook nasale klinkers heeft. Die zijn ontstaan door de gewone klinkers in combinatie met een aangrenzende nasale medeklinker te nasaliseren. Een goed voorbeeld is het Franse ‘bon,’ dat in uitspraak nasaal is en zonder [n]. De vrouwelijke variant ‘bonne’ laat zien dat ook in uitspraak van het mannelijke woord de [n] er vroeger bij moet hebben gehoord. Anders dan in het Frans kennen sommige Nambikwaratalen kraakstemklinkers, wat ook een overblijfsel is van weer andere omliggende medeklinkers. Na twee jaar puzzelen op de verschillen en overeenkomsten in klankstructuur tussen de Nambikwaratalen bestaat er nu een woordenboek proto-Nambikwara.
Proto-Nambikwara heeft de afgeleide varianten nooit gehad. Het reconstrueren van een prototaal is zoiets als teruggaan in de tijd. Wetzels schat de tijdsprong op 1500 tot 2000 jaar. Proto-talen op zich kunnen weer met elkaar worden vergeleken, waardoor je proto-prototalen krijgt. Door met behulp van proto-talen terug te gaan in de tijd leg je overeenkomsten bloot tussen taalfamilies die in de hedendaagse talen niet meer zichtbaar zijn, vanwege de enorme veranderingen die de verschillende talen hebben ondergaan. Zo krijg je dus zicht op de taalkundige geschiedenis van een continent, maar, bijvoorbeeld door taalverwantschap aan te toen van taalfamilies die nu ver van elkaar worden gesproken, ook van migratiestromen en, in combinatie met andere wetenschappen, zoals archeologie, genetica, en biologie, inzicht in de geschiedenis van de volkeren die het continent bewonen.
Switchen is ‘handiger’
Het staat de Indianen natuurlijk vrij om zich het Portugees beter eigen te maken, en woorden uit hun eigen taal te blijven gebruik waarvoor geen vertaling bestaat, eenvoudigweg omdat het begrip waar het woord voor staat niet bekend is bij Portugeestaligen. Dat is echter niet wat er bij bedreigde talen gebeurt. Wat er wel gebeurt is dat de taal volledig verdwijnt, omdat niet alleen de dominante taal wordt overgenomen, maar de gehele cultuur. Dat heeft vreemd genoeg niet per definitie te maken met het aantal sprekers. Weinig sprekers hebben is niet best voor een taal. Volgens socioloog Abram de Swaan van de Universiteit van Amsterdam komt dat, omdat het veel handiger is om een taal te gaan leren die al heel veel mensen spreken. De kans dat je je dan verstaanbaar kunt maken, is des te groter. Talen met veel sprekers hebben een aanzuigende werking. Aan het andere eind van het spectrum loont het niet een taal te leren die nog nauwelijks wordt gesproken. Zo’n taal heeft geen meerwaarde.
Dat klinkt erg calculerend, maar De Swaan stelt ook vast dat andere factoren een rol spelen. Het Suruaha bijvoorbeeld wordt gesproken door een groep van slechts 150 Indianen, die compleet geïsoleerd leeft in de Amazonejungle. Iedereen spreekt Suruaha, en niets anders dan dat. Hun isolement is essentieel, stelt De Swaan. Er is geen reden om op iets anders over te gaan want niemand spreekt iets anders. Voor de Nambikwara ligt dat anders. Zij leven niet geïsoleerd, maar komen veelvuldig in contact met de westerse wereld. Hoewel de taalgroep groter is dan die van het Suruaha, wordt aan de pijlers van het Nambikwara veel meer geknaagd.
Slechte reputatie
De Nambikwara worden al eeuwenlang door naburige stammen als vreemd beschouwd. Hun inheemse benaming is ‘Uaikuakoré’, wat zoveel wil zeggen als ‘zij die op de grond slapen’. De Nambikwara gebruiken geen hangmat. Ze slapen in de nog warme as van hun kampvuur, wat hun een groezelig uiterlijk bezorgt en, aangezien dat gedrag als primitief wordt beschouwd, ook een slechte reputatie bij de hen omringende volkeren. Die reputatie is door de niet-Indiaanse bevolking moeiteloos overgenomen. Wetzels: “Alles wat Indiaans is, wordt afgeschilderd als primitief. Een van mijn studenten voer eens mee met een schipper op een rivier, die hoogst verbaasd was dat zij kon verstaan wat de Indianen vanaf de kant naar haar riepen. Hij had nooit gedacht dat die geluiden iets betekenden. Daar word ik treurig van: het tekent het diepgewortelde onbegrip voor de inheemse taal en cultuur en het daaruit voortvloeiende gebrek aan respect. Daardoor hebben Indianen eigenlijk geen keuze, anders dan hun eigen taal en cultuur, hun eigenwaarde, op te geven.”
Wetzels zou graag zien dat het welzijn van Indianen hoger op zowel de nationale als internationale agenda stond. “Als het gaat om schending van mensenrechten, zijn we met z’n allen erg selectief verontwaardigd. Waarom is de rassensegregatie in Zuid-Afrika zo lang onderwerp van collectieve verontwaardiging geweest en waarom kan het uitroeien van inheemse talen en culturen, vaak als gevolg van het uitroeien van de oorspronkelijke bewoners zelf, al eeuwenlang relatief ongestraft zijn gang gaan?”
Lesmateriaal in de eigen taal is een goede stap om misstanden tegen te gaan. Aan de hand van de studies wordt dan ook lesmateriaal vervaardigd zodat de Indianen taalonderwijs in hun eigen taal kunnen volgen. “Alleen al door inheemse talen en culturen te bestuderen bied je tegenwicht aan het cultureel minderwaardigheidscomplex waaraan deze mensen lijden. Als je stelselmatig te horen krijgt dat je cultuur niet deugt en je taal achterlijk is, dan ben je geneigd dat te geloven. Het is een hele openbaring voor ze als de Indianen merken dat ook hun taal kan worden geschreven. Dat komt hun gevoel voor eigenwaarde zeer ten goede. Ik denk dat de Indianen gebaat zijn bij iemand, die voor hun belangen opkomt en dat mag van mij gerust een onderzoeker zijn. We gaan die rol bij ons onderzoek niet uit de weg.”
Helaas is het zo, dat westerlingen voor Indianen doorgaans gelijk zijn. Soms merkte Wetzels hun achterdocht, doordat zij geen verschil willen maken tussen wie met kwade bedoelingen komt, bijvoorbeeld om hun bomen te kappen en wie komt om hun cultuur te bestuderen. “Je praat Portugees, je rijdt rond in een fourwheeldrive en dus ben je rijk. Ik kreeg verschillende keren te horen dat ik moest betalen om hun taal te mogen opnemen op band, ‘omdat ik er geld mee zou verdienen.’ Ik geef meestal wel spulletjes, want je bent al gauw een paar uur bezig met een informant, dus ik ben niet wars van het ‘voor-wat-hoort-wat’-principe, maar de principiële instelling waarmee ze er vanuit gaan dat ik hen kom uitbuiten, gaat me te ver. Vooral de jongere dorpshoofden redeneerden zo. De ouderen hadden veel meer in de gaten waar ik voor kwam.”
Zo’n houding is tekenend voor de situatie waarin de Indianen en daarmee ook hun taal verkeren. De verwestering van authentieke volken is een trein op een helling. Wetzels heeft dan ook niet de illusie dat het onderzoek het tij kan keren. “Ik ben geen romanticus”, zegt hij. “De natuurlijke leefwijze van indianen, die nogal eens wordt geromantiseerd, is geen principiële keuze. Het is een leven bij gebrek aan middelen. Op het moment dat meer comfort door dat contact in het verschiet ligt, wordt dat comfort wenselijk. En daarmee het contact ook. Wat nu gebeurt, is dat een houtvester aan een dorpshoofd komt vragen of hij bomen mag kappen. Indianen hebben een ruilcultuur, dus de wedervraag is dan wat er tegenover staat. De Nambikwara hebben geen benul van de waarde die dingen ‘buiten’ hebben, en meer dan eens verruilen ze het recht op houtkap, wat voor de houtvester grote rijkdom oplevert, voor een Jeep.”
Tot zover lijkt er weinig aan de hand. Maar dan komt het: na drie rondjes rijden moet er benzine in en dat wil die houtvester óók wel leveren, maar dat vraagt om nog meer hout. Indianen geven hun eigen cultuur dus niet per se onder dwang op, hoewel dat ook veel voorkomt. Ze worden deel van het Westerse systeem. “Als je dit mechanisme z’n gang laat gaan, zijn de Nambikwara echter snel door hun bos heen, dat voor hen de basis is van hun fysieke en intellectuele bestaan is.”
Tweetaligheid