Nog één mens spreekt Latundê

De wereld kent ongeveer vijf- tot zesduizend verschillende talen. 90% van deze talen kent slechts een handvol sprekers. Ze verdwijnen snel. VU-hoogleraar Leo Wetzels probeert daar iets aan te doen. De linguistische diversiteit op de wereld is grillig verdeeld. Neem alleen al het aantal verschillende idiomen; daar is geen nauwkeurige schatting van te maken. Dat komt omdat de scheidslijn tussen een taal en een dialect uiterst vaag is. Het is verdedigbaar dat Limburgs echt een aparte taal is, maar het is ook verdedigbaar dat Nederlands een Duits dialect is. Bovendien verdwijnen en ontstaan talen voortdurend. Schattingen liggen rond 6000, maar met een marge van duizend aan de boven-, en duizend aan de onderkant. Nog grilliger is het aantal sprekers van een taal. Han-Chinees is voor 1,2 miljard wereldburgers de eerste taal. Engels volgt op de voet. Slechts een handvol talen heeft meer dan honderd miljoen sprekers: naast Chinees en Engels zijn dat Arabisch, Frans, Duits, Hindi, Japans, Maleis, Portugees, Russisch en Spaans. Dat juist deze talen zo populair zijn geworden, is voor een belangrijk deel historisch verklaarbaar; zonder Chinese Mandarijnen en de vroege eenwording van het land was het Han nooit de standaard geworden die het nu is. Engels en Frans zouden zonder kolonialisering kleine taalgebiedjes zijn gebleven. Wie de talenkaart van de wereld bekijkt, kijkt terug in het verleden. Nog altijd zijn grote delen van Afrika francofoon of anglofoon, worden Midden- en Zuid-Amerika beheerst door Spaans en Portugees en is Noord-Amerika, Quebec niet meegerekend, Engels, hoewel Spaans steeds meer opgeld doet. Dat in Indonesië het Maleis de rol van Nederlands als voertaal heeft overgenomen, is in historisch opzicht een uitzondering, en dat komt onder andere omdat de Nederlandse kolonie er niet erg happig op was om hun taal aan de plaatselijke bevolking te leren. Je zou verwachten dat Nederlands, met haar toch kleine taalgebied ergens in de middenmoot of misschien onderaan de lijst zou uitkomen, maar dat is niet het geval. Want de overgrote meerderheid van de talenrijkdom kent slechts een paar duizend, een paar honderd of soms zelfs maar tientallen sprekers. Die miniatuurtalen zijn bovendien sterk geconcentreerd in een handvol landen. In Indonesië alleen al worden 694 verschillende talen gesproken, in Papua Nieuw Guinea 673. Andere landen met een grote diversiteit zijn Nigeria (455), India (337), Kameroen (247), Australië (226), Mexico (188), Zaire (206) and China (186). Deze negen landen zijn zo beschouwd samen goed voor bijna de helft van alle talenkennis op de aardbol. De meeste van die landen industrialiseert in hoog tempo, wat gepaard gaat met het verdwijnen van de oorspronkelijke leefwijze.

Uitsterven

NWO schat dat 90% van de huidige talen aan het eind van deze eeuw is uitgestorven, en startte daarom in 2001 het onderzoeksprogramma ‘Bedreigde talen’. Het begrip ‘Uitsterven’ is ontleend aan de biologie. Wie kent niet de tekeningen van de koddige Dodo uit de geschiedenisboeken, die uiteindelijk in de pot verdween? In het depot van Artis in Amsterdam staan het laatste exemplaren van de Kaapse Leeuw en de Quagga, netjes geconserveerd. Van andere dieren, zoals de Blauwe Vinvis en de Javaanse Neushoorn, wordt hun uitsterven al decennia gevreesd. Maar terwijl het Wereld Natuurfonds met televisiespotjes aandacht vraagt voor de vinvis, moet het eerste filmpje voor behoud van verdwijnende talen en culturen nog gemaakt worden. Taalwetenschappers kennen hun eigen Dodo’s en Quagga’s. Van Hupdë, Macaguaje, Tama en Yahuna bijvoorbeeld is het uitgesloten dat ze nog zullen klinken. Dat veel taalkundige Blauwe Vinvissen niet bestudeerd zijn baart wetenschappers zorgen: Yahuna kende twintig jaar geleden nog sprekers. Nu is er niemand meer; wat eenmaal verdwenen is, is voorgoed verdwenen. Van een grote groep Braziliaanse talen bestaan hooguit wat zinnetjes, soms als gevolg van missie- en zendingswerk een paar vertaalde bijbelpassages. Professor Leo Wetzels van de Vrije Universiteit stond aan de wieg van het NWO-programma. Een van zijn medewerkers stuitte tijdens haar onderzoek bij toeval op een taal met een wel heel minimaal aantal sprekers: één. De promovendus deed onderzoek naar Latundê, een taal die behoort tot de groep van Nambikwara-talen. Ze ontmoette Terezinha, een vrouw die vroeger Lakondê had geleerd, maar die taal nooit meer sprak omdat ze niemand kende die het ook machtig was. Zo’n verhaal was curieus genoeg om in veel Nederlandse kranten aandacht te krijgen. Veel andere talen sterven uit met stille trom.

‘A system at which the mind boggles’

Je kunt je afvragen of het erg is. Zoals Midas Dekkers zich retorisch afvraagt: ‘Mist u de Dodo?’, zo zijn culturele gebruiken even vergankelijk als diersoorten, en vaak maalt niemand erom. Soms vinden we het zelfs een goede zaak als culturele gebruiken in onbruik zouden raken; denk aan rituelen als steniging of vrouwenbesnijdenis. Niet alles is per definitie goed. Maar kennis over deze gebruiken leert ons echter iets over waarden die in de culturen waar ze plaatsvinden belangrijk zijn. Kennis over talen leert ons iets over de veelheid aan manieren waarop mensen in staat zijn met elkaar te communiceren.

Behoud van taalkundige diversiteit mag zich verheugen in warme belangstelling van de Unesco. Onder taalwetenschappers zijn bedreigde talen een ‘hot topic’. Op de Nederlandse onderzoeksagenda staat het echter niet erg hoog. Het Bedreigde Talen-programma is erg bescheiden in opzet. Twee Leidse onderzoeksgroepen stellen woordenboeken en grammatica samen van bedreigde talen in Zuid-Ethiopië respectievelijk Ghana. Professor Leo Wetzels doet via het programma twee onderzoeken in Zuid-Amerika. Onlangs startte hij in Colombia een studie naar de Makú-Indianen, en vier jaar geleden begon een groep promovendi en postdocs onder zijn begeleiding met het in kaart brengen van verschillende bedreigde Nambikwara-talen, waarmee het thema ‘bedreigde talen’ een eigen geoormerkt budget heeft gekregen.

De Nambikwara zijn een Indianenvolk, dat leeft in het noord-westen van de Mato Grosso, een vrij onvruchtbare hooglandsavanne die wordt doorsneden door juist vruchtbare rivierdalen. Er leven nog ongeveer 1.180 Nambikwara. Taalkundig onderscheidt men drie groepen, waarvan de sprekers elkaar niet kunnen verstaan. De talen zijn wel verwant, zoals Spaans en Italiaans verwant zijn. Veel meer was er niet bekend over de talen. Missionaris Kingston omschreef de grammatica begin jaren zeventig als ‘A system at which the mind boggles’ en dat maakte weinig mensen enthousiast zich in de Nambikwara-talen te verdiepen. Voor Wetzels ligt dat anders. Nambikwaratalen zijn toontalen, waarbij de toonhoogte verschil in betekenis oplevert. Ze kennen een classificeerdersysteem, waarbij zelfstandige naamwoorden zijn onderveerdeeld in klassen, op grond van een saillante eigenschap van hun betekenis. In het Nambikwara bestaan geen telwoorden zoals wij die kennen uit het Nederlands. Numerieke concepten worden als werkwoorden weergegeven. Verschillende van de talen kennen wel zestien klinkers. Naast de “gewone” set die wij kennen onderscheiden ze ook nasale klanken en “kraakstemklanken”. Daarbij is er betekenisverschil in gewone, nasale, of kraakstemuitspraak. Wetzels werd nieuwsgierig naar het nut en de herkomst van de variatie.

‘Taal is het instrument’

De Nambikwarastudies zijn nu praktisch afgerond en heeft een schat aan informatie opgeleverd. Door de talen met elkaar te vergelijken, is het nu mogelijk een vroege voorouder van de huidige talen te reconstrueren, wat tot nieuwe inzichten leidt over de manier waarop Zuid-Amerika bewoond is geraakt (zie kader: “De Tijdmachine”). Vakinhoudelijke interesse trok Wetzels, eigenlijk hoogleraar Franse Taal en Letterkunde, echter niet over de streep om talen in het Amazonegebied te bestuderen. In 1989 werd hij door de staatsuniversiteit van São Paulo uitgenodigd om een gastcollege theoretische taalkunde te geven. Daar maakte hij kennis met de Braziliaanse taalwetenschappers. Via hen kwam hij een jaar later terecht bij het Museu Nacional, een instituut voor ‘tropische wetenschappen’, waaronder taalkundige antropologie valt. Op die manier kwam hij in contact met de inheemse talen van Zuid-Amerika. “Dat ik ook betrokken raakte bij verschillende onderzoeken naar deze talen is een persoonlijke keuze geweest. Na 25 jaar theoretische taalkunde te hebben bedreven had ik de behoefte iets te doen waar behalve de wetenschap ook gewone mensen iets aan hebben. Het geeft me veel voldoening te zien dat we iets kunnen betekenen voor het behoud van taalkundige en culturele diversiteit. Dat we schoolboekjes kunnen maken voor de indianen zodat ze hun kinderen kunnen leren lezen en schrijven in hun eigen taal.” Onderwijs in de eigen taal is voor Wetzels doorslaggevend. Taal is namelijk een cultuuruiting met een speciale status. Taal is het instrument dat we gebruiken om de wereld om ons heen te beschrijven. Verdwijnt een taal, dan verdwijnt dus ook een begrippenapparaat. Het viel Wetzels op hoeveel de indianen van hun omgeving weten. De aanwezigheid van een bepaalde vissoort in de rivier leidden ze bijvoorbeeld af aan een soort struik langs de oever. De vissen worden in de bloeiperiode van de struik aangetrokken door de bloesem, die ze opeten. Wetzels: “De Brazilianen weten van deze feiten natuurlijk niets, hebben geen woord voor de struik, noch voor de bloesem noch voor de vis. Als de Indianentaal verloren gaat gaat dus ook de mogelijkheid verloren om dit feit via taal door te geven. En dit is maar een minuscuul fragment van de complexe kennis die deze mensen hebben opgebouwd en die in hun taal ligt opgesloten.”

Stamboom

Net als bij bloedverwanten kun je van taalverwantschap een stamboom maken. Die van het Nambikwara ziet er zo uit. Als voorbeeld is het woord voor ara gekozen. In het Sabanê, de meest pure taal, is dit ‘la’. Het Sararé lijkt er het meest op; alleen is hier een nasale uitspraak gewoon. Vandaar de tilde (~). In de noordelijke talen (geografisch) is het oorspronkelijke l’ama verbasterd tot law, waarbij de onderlijning van de a staat voor een kraakstremuitspraak. Deze, gecombineerd met de w, is een sterke aanwijzing dat vroeger in plaats van de w een m heeft gestaan (alleen moet je voor die afleiding taalkundige zijn). Dit kan zijn geweest bij de voorloper van zowel de noord- als de zuidtalen. Prototalen samenstellen is terugrekenen.

De tijdmachine

Wat levert taalonderzoek op? Behalve inzicht in de veelheid aan manieren waarop mensen grammaticaal oplossingen bedenken om met elkaar te communiceren, is de taal van nu ook een tijdmachine. Wie voor professor Barabas wil doorgaan, moet alleen wel enkele basisprincipes kennen. Een van de basisprincipes is dat wanneer de klank van woorden verandert, dit komt omdat mensen een bepaalde combinatie van medeklinkers en klinkers anders gaan zeggen. Zo spreken rechtgeaarde Zaankanters de [ui] al jaren uit als [eu]. Deze verandering in klankstructuur is in het algemeen regelmatig. Als in een woord een [k] voor een [i] verandert in [s] (wat een vrij gewone verandering is, zoals van het Latijnse [ki] in faciat naar het Franse [s] in fasse), dan gebeurt dat met alle woorden waarin een [k] voor een [i] staat. Op grond van zijn kennis van mogelijke en onmogelijke klankverandering weet een taalkundige dat de taal met de [k] de oorspronkelijke situatie vertegenwoordigt, terwijl de taal met de [s] de vernieuwing heeft geintroduceerd. De prototaal heeft dus in een set woorden een [k] waarin de ene dochtertaal een [k] heeft, de ander een [s].

Bij de Nambikwaratalen zien we dat een aantal van deze talen behalve gewone ook nasale klinkers heeft. Die zijn ontstaan door de gewone klinkers in combinatie met een aangrenzende nasale medeklinker te nasaliseren. Een goed voorbeeld is het Franse ‘bon,’ dat in uitspraak nasaal is en zonder [n]. De vrouwelijke variant ‘bonne’ laat zien dat ook in uitspraak van het mannelijke woord de [n] er vroeger bij moet hebben gehoord. Anders dan in het Frans kennen sommige Nambikwaratalen kraakstemklinkers, wat ook een overblijfsel is van weer andere omliggende medeklinkers. Na twee jaar puzzelen op de verschillen en overeenkomsten in klankstructuur tussen de Nambikwaratalen bestaat er nu een woordenboek proto-Nambikwara.

Proto-Nambikwara heeft de afgeleide varianten nooit gehad. Het reconstrueren van een prototaal is zoiets als teruggaan in de tijd. Wetzels schat de tijdsprong op 1500 tot 2000 jaar. Proto-talen op zich kunnen weer met elkaar worden vergeleken, waardoor je proto-prototalen krijgt. Door met behulp van proto-talen terug te gaan in de tijd leg je overeenkomsten bloot tussen taalfamilies die in de hedendaagse talen niet meer zichtbaar zijn, vanwege de enorme veranderingen die de verschillende talen hebben ondergaan. Zo krijg je dus zicht op de taalkundige geschiedenis van een continent, maar, bijvoorbeeld door taalverwantschap aan te toen van taalfamilies die nu ver van elkaar worden gesproken, ook van migratiestromen en, in combinatie met andere wetenschappen, zoals archeologie, genetica, en biologie, inzicht in de geschiedenis van de volkeren die het continent bewonen.

Switchen is ‘handiger’

Het staat de Indianen natuurlijk vrij om zich het Portugees beter eigen te maken, en woorden uit hun eigen taal te blijven gebruik waarvoor geen vertaling bestaat, eenvoudigweg omdat het begrip waar het woord voor staat niet bekend is bij Portugeestaligen. Dat is echter niet wat er bij bedreigde talen gebeurt. Wat er wel gebeurt is dat de taal volledig verdwijnt, omdat niet alleen de dominante taal wordt overgenomen, maar de gehele cultuur. Dat heeft vreemd genoeg niet per definitie te maken met het aantal sprekers. Weinig sprekers hebben is niet best voor een taal. Volgens socioloog Abram de Swaan van de Universiteit van Amsterdam komt dat, omdat het veel handiger is om een taal te gaan leren die al heel veel mensen spreken. De kans dat je je dan verstaanbaar kunt maken, is des te groter. Talen met veel sprekers hebben een aanzuigende werking. Aan het andere eind van het spectrum loont het niet een taal te leren die nog nauwelijks wordt gesproken. Zo’n taal heeft geen meerwaarde.

Dat klinkt erg calculerend, maar De Swaan stelt ook vast dat andere factoren een rol spelen. Het Suruaha bijvoorbeeld wordt gesproken door een groep van slechts 150 Indianen, die compleet geïsoleerd leeft in de Amazonejungle. Iedereen spreekt Suruaha, en niets anders dan dat. Hun isolement is essentieel, stelt De Swaan. Er is geen reden om op iets anders over te gaan want niemand spreekt iets anders. Voor de Nambikwara ligt dat anders. Zij leven niet geïsoleerd, maar komen veelvuldig in contact met de westerse wereld. Hoewel de taalgroep groter is dan die van het Suruaha, wordt aan de pijlers van het Nambikwara veel meer geknaagd.

Slechte reputatie

De Nambikwara worden al eeuwenlang door naburige stammen als vreemd beschouwd. Hun inheemse benaming is ‘Uaikuakoré’, wat zoveel wil zeggen als ‘zij die op de grond slapen’. De Nambikwara gebruiken geen hangmat. Ze slapen in de nog warme as van hun kampvuur, wat hun een groezelig uiterlijk bezorgt en, aangezien dat gedrag als primitief wordt beschouwd, ook een slechte reputatie bij de hen omringende volkeren. Die reputatie is door de niet-Indiaanse bevolking moeiteloos overgenomen. Wetzels: “Alles wat Indiaans is, wordt afgeschilderd als primitief. Een van mijn studenten voer eens mee met een schipper op een rivier, die hoogst verbaasd was dat zij kon verstaan wat de Indianen vanaf de kant naar haar riepen. Hij had nooit gedacht dat die geluiden iets betekenden. Daar word ik treurig van: het tekent het diepgewortelde onbegrip voor de inheemse taal en cultuur en het daaruit voortvloeiende gebrek aan respect. Daardoor hebben Indianen eigenlijk geen keuze, anders dan hun eigen taal en cultuur, hun eigenwaarde, op te geven.”

Wetzels zou graag zien dat het welzijn van Indianen hoger op zowel de nationale als internationale agenda stond. “Als het gaat om schending van mensenrechten, zijn we met z’n allen erg selectief verontwaardigd. Waarom is de rassensegregatie in Zuid-Afrika zo lang onderwerp van collectieve verontwaardiging geweest en waarom kan het uitroeien van inheemse talen en culturen, vaak als gevolg van het uitroeien van de oorspronkelijke bewoners zelf, al eeuwenlang relatief ongestraft zijn gang gaan?”

Lesmateriaal in de eigen taal is een goede stap om misstanden tegen te gaan. Aan de hand van de studies wordt dan ook lesmateriaal vervaardigd zodat de Indianen taalonderwijs in hun eigen taal kunnen volgen. “Alleen al door inheemse talen en culturen te bestuderen bied je tegenwicht aan het cultureel minderwaardigheidscomplex waaraan deze mensen lijden. Als je stelselmatig te horen krijgt dat je cultuur niet deugt en je taal achterlijk is, dan ben je geneigd dat te geloven. Het is een hele openbaring voor ze als de Indianen merken dat ook hun taal kan worden geschreven. Dat komt hun gevoel voor eigenwaarde zeer ten goede. Ik denk dat de Indianen gebaat zijn bij iemand, die voor hun belangen opkomt en dat mag van mij gerust een onderzoeker zijn. We gaan die rol bij ons onderzoek niet uit de weg.”

Helaas is het zo, dat westerlingen voor Indianen doorgaans gelijk zijn. Soms merkte Wetzels hun achterdocht, doordat zij geen verschil willen maken tussen wie met kwade bedoelingen komt, bijvoorbeeld om hun bomen te kappen en wie komt om hun cultuur te bestuderen. “Je praat Portugees, je rijdt rond in een fourwheeldrive en dus ben je rijk. Ik kreeg verschillende keren te horen dat ik moest betalen om hun taal te mogen opnemen op band, ‘omdat ik er geld mee zou verdienen.’ Ik geef meestal wel spulletjes, want je bent al gauw een paar uur bezig met een informant, dus ik ben niet wars van het ‘voor-wat-hoort-wat’-principe, maar de principiële instelling waarmee ze er vanuit gaan dat ik hen kom uitbuiten, gaat me te ver. Vooral de jongere dorpshoofden redeneerden zo. De ouderen hadden veel meer in de gaten waar ik voor kwam.”

Zo’n houding is tekenend voor de situatie waarin de Indianen en daarmee ook hun taal verkeren. De verwestering van authentieke volken is een trein op een helling. Wetzels heeft dan ook niet de illusie dat het onderzoek het tij kan keren. “Ik ben geen romanticus”, zegt hij. “De natuurlijke leefwijze van indianen, die nogal eens wordt geromantiseerd, is geen principiële keuze. Het is een leven bij gebrek aan middelen. Op het moment dat meer comfort door dat contact in het verschiet ligt, wordt dat comfort wenselijk. En daarmee het contact ook. Wat nu gebeurt, is dat een houtvester aan een dorpshoofd komt vragen of hij bomen mag kappen. Indianen hebben een ruilcultuur, dus de wedervraag is dan wat er tegenover staat. De Nambikwara hebben geen benul van de waarde die dingen ‘buiten’ hebben, en meer dan eens verruilen ze het recht op houtkap, wat voor de houtvester grote rijkdom oplevert, voor een Jeep.”

Tot zover lijkt er weinig aan de hand. Maar dan komt het: na drie rondjes rijden moet er benzine in en dat wil die houtvester óók wel leveren, maar dat vraagt om nog meer hout. Indianen geven hun eigen cultuur dus niet per se onder dwang op, hoewel dat ook veel voorkomt. Ze worden deel van het Westerse systeem. “Als je dit mechanisme z’n gang laat gaan, zijn de Nambikwara echter snel door hun bos heen, dat voor hen de basis is van hun fysieke en intellectuele bestaan is.”

Tweetaligheid

Wetzels hoopt dat het onderzoek de acculturatie van de Indianen kan rekken. Hij zou het mooi vinden als een volk zou kunnen accultureren vanuit haar eigen cadans. Dan verloopt zo’n overgang vloeiend. “Het moet mogelijk zijn dat zij zelf worden betrokken bij, bijvoorbeeld, de ecologische exploitatie van het oerwoud. Het moet ook mogelijk zijn dat de groepen die elk contact afwijzen, en die zijn er ook nog, zoals de Suruaha, op hun eigen traditionele manier blijven leven. Het enige dat daarvoor nodig is, is dat het oerwoud minstens voor een deel behouden blijft, maar er zijn heel veel andere redenen waarom dat sowieso wenselijk is”, stelt Wetzels. Voor de groepen die het contact zoeken of waaraan het contact wordt opgedrongen ziet hij een oplossing in tweetaligheid en opteert dan ook voor onderwijs in zowel de eigen taal als in het Portugees. “Waarom niet? Tweetaligheid is vrij gewoon. Ik kom zelf uit Limburg, en moest vroeger de Nederlandse krant voor mijn vader vertalen. Door tweetalig te zijn, laat je de mensen een keuze. Voor verreweg de meeste groepen is het leven in afzondering geen optie meer. Dat wil de regering niet en ze willen het zelf vaak ook niet, want daarvoor is de luxe van het westen te verleidelijk. Met een pijl en boog is jagen een delicate bezigheid, met een kleine succesratio. Natuurlijk richt je dan op een volwassen varken: dat is oud en traag, en een groot doelwit om te raken. Die pragmatische instelling is in het Westen vaak geïnterpreteerd als een harmonieus inzicht, dat je de oude en zwakke dieren kunt doden, maar de jonge en vitale niet. Door contact met het Westen krijgen de Nambikwara de beschikking over Westerse middelen en het is bijna onontkoombaar dat ze de voorkeur aan die middelen geven; sommigen hebben nu een geweer. Mooi dat zij op de jonge biggen schieten, want dat vlees is lekkerder. Het leidt echter wel tot overbejaging. Een geweer is vooruitgang, maar alleen dan, wanneer je tegelijkertijd milieubesef bijbrengt.” In de praktijk komt er van een harmonieuze overgang van de oorspronkelijke naar de materialistische cultuur niets terecht. Indianen staan niet hoog op de politieke agenda. “Er is weinig belangstelling voor de Indianenkwestie, ook niet op het niveau van de regering. Ik zou het waarderen als daar iemand binnen de overheid opstond die een principiële stelling durfde in te nemen over de Indianen, ook al zou dat standpunt negatief zijn. Misschien zou er dan een brede discussie op gang komen, die de kleine kring van taalkundigen en antropologen overschrijdt.” Soms echter gebeuren hoopvolle dingen. “Laatst is in de staat Amazonas op verschillende plaatsen een Indianentaal als officiële voertaal erkend. Dat gaat de goede kant op. Het lijkt op die manier of de houding van de regering in sommige staten aan het veranderen is. Ik hoop het. Als het doorzet, kun je het verdwijnen van Indianentalen uitstellen. Het geeft de wetenschappers de tijd om ze te noteren, en de Indianen hebben dan een keuze, omdat ze een tweetalige scholing kunnen krijgen. Als ze desondanks kiezen voor Portugees, dan is dat zo. Hoe jammer ik dat ook vind van die talen.”

Nog één mens spreekt Latundê verscheen in Eos (2005, januari)

Terug naar: Home > MorphoHet idee

Scroll naar boven